De werkgever heeft een loonstop doorgevoerd, omdat een werkneemster haar genezing belemmert of vertraagt door herhaaldelijk naar een bingo te gaan. De arbeidsongeschikte werknemer vordert in kort geding doorbetaling van loon tijdens ziekte. De kantonrechter vindt dat de loonstop juist is toegepast. Hij vindt dat de werknemer gezien haar medische beperkingen haar herstel heeft verstoord door meermaals een bingo te bezoeken.
Een werkneemster is op 1 maart 2019 als bewindvoerder in dienst getreden bij de werkgever. Zij is sinds 25 maart 2025 volledig arbeidsongeschikt.
In een advies van de arbodienst van 16 oktober 2025 staat onder meer dat de werkneemster klachten ervaart en dat werkgerelateerde omstandigheden daarin een rol spelen. Verder wordt aangegeven dat de werkneemster momenteel sociaal contact of sociale activiteiten vermijdt, terwijl dat in bepaalde mate juist zou kunnen bijdragen aan haar herstel. Omdat het vermijden van sociaal contact of sociale activiteiten voor een verdere stagnatie zorgt, wordt geadviseerd om ontspannende, prikkelarme activiteiten weer op te pakken.
In het verslag van de arbodienst van 1 december 2025 staat onder meer dat de werkneemster nog in grote mate beperkt is in het sociaal functioneren en dat zij beperkt deelneemt aan sociale activiteiten en daarna rust moet nemen. Op 5 maart 2026 stelt de bedrijfsarts een zogenaamd inzetbaarheidsprofiel op. Daarin tekent de bedrijfsarts op dat de werkneemster niet zelfstandig gebruik kan maken van eigen of openbaar vervoer. Verder vermeldt de bedrijfsarts dat de werkneemster moeite heeft met drukke omgevingen en dat de werkneemster niet kan werken in een ruimte met veel of storend geluid.
Op 13 maart 2026 geeft de werkgever de werkneemster via WhatsApp een officiële waarschuwing, omdat zij gezien is bij een bingo waar zij bovendien met haar eigen auto naartoe is gereden. De werkgever vindt dit haaks staan op de beperkingen van de werkneemster en ziet dit als een belemmering van haar genezing. De werkgever waarschuwt dat er een loonstop zal volgen bij een volgende overtreding. De gemachtigde van de werkneemster heeft op de waarschuwing gereageerd en aangegeven dat de arbo-arts het bezoeken van een bingo niet verboden heeft en dat de werkneemster niet als beperking heeft opgegeven dat zij niet zou kunnen autorijden. Aangegeven wordt dat de werkneemster enkel niet buiten de stad rijdt.
Ondanks de waarschuwingen gaat de werkneemster op 15 maart 2026 toch weer naar een bingo, waarna de werkgever op 16 maart 2026 een loonstop doorvoert. De werkgever heeft het loon stopgezet over de periode van 16 tot en met 31 maart 2026. Vanaf april 2026 is het loon wel weer betaald.
Op 30 maart 2026 wordt een aangepast inzetbaarheidsprofiel opgesteld. Daarin wordt bij vervoer vermeld dat de werkneemster minimaal zelfstandig gebruik maakt van haar auto en dat ze niet op de grote weg rijdt, alleen kleine stukjes in haar woonplaats.
De werkneemster vordert vervolgens in kort geding dat het loon alsnog betaald moet worden. De kantonrechter wijst deze vordering af en motiveert die beslissing als volgt.
De kantonrechter stelt voorop dat een werknemer tijdens ziekte in beginsel recht heeft op loon, maar dat dit recht vervalt wanneer de werknemer zijn genezing belemmert of vertraagt. Daarbij geldt dat van een zieke werknemer mag worden verwacht dat hij alles doet wat zijn herstel bevordert en dat hij moet nalaten wat dit belemmert.
De werkneemster had volgens het door de bedrijfsarts vastgestelde inzetbaarheidsprofiel aanzienlijke beperkingen op het gebied van sociaal functioneren en prikkelverwerking. Desondanks heeft zij kort na elkaar, op 12 en 15 maart 2026, een bingoavond bezocht. Op basis van de toelichting van partijen en een ter zitting getoond filmpje stelt de kantonrechter vast dat dergelijke bingoavonden plaatsvinden in een rumoerige omgeving met veel mensen en geluid en dat deze meerdere uren duren. Hoewel de kantonrechter niet vindt dat de werkneemster nooit aan een bingo zou mogen deelnemen, acht zij de combinatie van de aard van de activiteit, de duur en de herhaling binnen korte tijd problematisch, zeker omdat de werkgever de werkneemster voorafgaand aan het tweede bezoek expliciet had gewaarschuwd dat dit strijdig was met haar beperkingen en dat bij herhaling een loonstop zou volgen.
Door desondanks kort daarna opnieuw een bingoavond te bezoeken, heeft de werkneemster volgens de kantonrechter onvoldoende rekening gehouden met haar verplichting om alles te doen wat haar herstel bevordert en na te laten wat daaraan in de weg kan staan. Dat het inzetbaarheidsprofiel later nog is aangepast ten aanzien van vervoer maakt dit niet anders, nu de relevante beperkingen inzake sociale drukte en geluidsbelasting ongewijzigd zijn gebleven.
De gevraagde verklaring voor recht dat de loonstop onrechtmatig zou zijn, wordt afgewezen, nog daargelaten dat een dergelijke verklaring in kort geding niet kan worden gegeven omdat het geen voorlopige voorziening betreft. De kantonrechter oordeelt dat de loonstop over de periode van 16 tot en met 31 maart 2026 terecht is toegepast en wijst de vordering tot nabetaling van loon en wettelijke verhoging over die periode af. Ook wordt het verzoek afgewezen om de werkgever te verplichten vooraf advies van de bedrijfsarts in te winnen voordat waarschuwingen of loonsancties worden opgelegd, omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat.
Wel krijgt de werkneemster gedeeltelijk gelijk ten aanzien van de wettelijke verhoging over het loon van april 2026. Hoewel de werkgever de loonbetaling per april had hervat, is het salaris over die maand te laat betaald, zonder dat daarvoor een voldoende rechtvaardiging bestaat. De wettelijke verhoging wordt daarom toegekend en niet gematigd. Omdat het gaat om een loonvordering tijdens ziekte en geen sprake is van kennelijk onredelijk procederen, bepaalt de kantonrechter dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.