Heeft u vragen? Wij zijn telefonisch bereikbaar op 030 262 45 94
Vacature Ons kantoor is open van ma t/m vrij tussen 08:00 en 17:00 uur
b+p Belastingadviseurs - 28/05/2022 - Juridisch

Vordering tot betaling van overuren afgewezen omdat werknemer eerder om die betaling had moeten vragen

Juridisch

De vordering van een werknemer tot betaling van overuren werd afgewezen, omdat hij niet eerder bij de werkgever had geklaagd dat niet al zijn overuren werden uitbetaald. De “klachtplicht” is volgens het gerechtshof ook van toepassing in het arbeidsrecht, zij het dat die dan wel terughoudend moet worden toegepast.

Een cafébedrijf werd in november 2018 geconfronteerd met vorderingen van een werknemer die van september 2012 tot januari 2017 bij het cafébedrijf had gewerkt als medewerker bediening. In een brief verwijt de advocaat van de werknemer de werkgever dat hij de cao structureel heeft genegeerd doordat de werknemer niet juist is ingeschaald, de feestdagentoeslag nooit is uitbetaald, structurele loonsverhogingen niet zijn doorgevoerd, prestatiebeloningen niet zijn betaald en doordat de werknemer na sluitingstijd een uur langer moest blijven om op te ruimen, zonder dat hij daarvoor betaald werd. Als de kantonrechter maar een klein deel van de vorderingen toewijst, stelt de werknemer hoger beroep in bij het gerechtshof.

Een belangrijk deel van de vorderingen betreft niet betaalde overuren. De werknemer stelt dat op de loonstroken weliswaar overuren zijn vermeld, maar dat een aanzienlijk deel van de door hem gewerkte overuren, met name bestaande uit werkzaamheden verricht na sluitingstijd, niet op de loonstroken zijn vermeld en niet zijn betaald. De werkgever en de werknemer zijn het er over eens dat de werknemer een uur en een kwartier voor openingstijd aanwezig moest zijn om voorbereidende werkzaamheden te verrichten. De werkgever betaalde daarvoor ook een overwerkvergoeding. De werknemer stelt echter dat hij ook nog gemiddeld twee uur en vijfentwintig minuten na sluitingstijd heeft gewerkt. Volgens de werkgever werden echter vanaf een kwartier na sluitingstijd geen werkzaamheden meer verricht. Wel bleef de werknemer nog vaak na om met zijn collega’s wat te drinken, wat door de werkgever werd toegestaan. De afrondende werkzaamheden (het opruimen van flessen en het vegen van de vloer) werden volgens de werkgever grotendeels verricht tijdens de laatste openingsuren, als het niet zo druk meer was.

De werkgever voert als verweer tegen de gevorderde overwerkvergoeding onder meer aan dat de werknemer geen recht kan doen gelden op de overwerkvergoeding, omdat hij niet tijdig heeft geprotesteerd tegen het feit dat de uren die na sluitingstijd zouden zijn gewerkt, niet werden vergoed. De werkgever beroept zich daarbij op een wetsbepaling die is opgenomen in het deel van het Burgerlijk Wetboek dat ziet op het algemene verbintenissenrecht, derhalve niet specifiek op het arbeidsrecht. Volgens die wetsbepaling kan een schuldeiser geen beroep doen op een gebrek in de prestatie als hij niet bij de schuldenaar heeft geprotesteerd binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt, of redelijkerwijze had kunnen ontdekken. Het gerechtshof stelt voorop dat omstreden is of deze zogenaamde “klachtplicht” ook in het arbeidsrecht geldt.
Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad ziet de klachtplicht op alle verbintenissen, maar moet het wel zien op gebrekkige of ondeugdelijke prestaties en niet op andere vormen van niet nakomen van verbintenissen. De klachtplicht strekt er toe om de schuldenaar te behoeden tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten en tegen vorderingen waarop hij zich na verloop van tijd niet meer behoeft in te stellen.

Volgens het hof geldt de klachtplicht ook in situaties waarin sprake is van een aan een werknemer duidelijk kenbaar gebrek in de prestatie van de werkgever, maar moet de klachtplicht in het arbeidsrecht, vanwege de bescherming van de werknemer en het dwingendrechtelijke karakter van veel wetsbepalingen, terughoudend worden toegepast. Het hof is van mening dat het beroep van de werkgever op de klachtplicht in dit geval slaagt. Daartoe overweegt het hof dat geen sprake is van een situatie waarin de werknemer pas achteraf ontdekt dat hij recht had op compensatie voor overuren. Een deel van de overuren werd immers wel betaald. Die overuren werden op de loonstroken vermeld en de werknemer had die loonstroken ook ontvangen. Het ging ook niet om incidentele overuren, waarvan de werknemer mogelijk over het hoofd had kunnen zien dat die niet betaald werden, maar om structurele overuren. De werknemer had daarom eerder moeten klagen over het niet uitbetalen van de overuren. Volgens de cao zouden die uren ook moeten worden gecompenseerd in de vorm van extra vrije tijd en zou uitbetaling pas aan de orde komen als compensatie in de vorm van extra vrije tijd niet mogelijk zou zijn. Door niet eerder te klagen was compensatie in de vorm van extra vrije tijd onmogelijk.
Het gerechtshof wijst daarom de vordering tot betaling van een vergoeding voor de overuren af.

b+p Belastingadviseurs maakt gebruik van functionele cookies die strikt noodzakelijk zijn voor de werking van de website en analytische cookies om inzicht te krijgen in de werking en effectiviteit van de website. De analytische cookies zijn volledig geanonimiseerd en wij plaatsen geen marketing cookies. Meer informatie over privacy.