In een vonnis van de kantonrechter Amsterdam stond de vraag centraal of een werkgever van een arbeidsongeschikte werknemer mocht verlangen dat hij op verzoek van de bedrijfsarts naar Nederland kwam om zijn arbeids(on)geschiktheid te laten beoordelen. De werknemer verbleef in Portugal. Toen hij niet naar Nederland kwam, paste de werkgever een loonstop toe. De kantonrechter oordeelde dat die loonstop terecht was. Hoewel de beslissing van de kantonrechter goed te begrijpen is, als naar de feiten van de zaak wordt gekeken, moeten toch vraagtekens bij de beslissing worden geplaatst. In ons commentaar gaan we in op de Europese wetgeving die in deze zaak een rol speelt.
Een werknemer was op 21 december 2023 naar Portugal gereisd vanwege een familiaire aangelegenheid: de hond van de werknemer, die bij zijn moeder verbleef, lag op sterven en kon niet langer door zijn moeder worden verzorgd. Nadat de hond was overleden, meldde de werknemer zich op 25 december 2023 ziek. Op 28 december 2023 stuurde hij een Portugese doktersverklaring aan zijn werkgever, waarin stond dat de werknemer ziek was. De Portugese arts verklaarde daarbij ook: “Gezien de situatie moet hij momenteel reizen vermijden.” De werknemer zelf liet weten dat hij in Portugal een therapietraject van een maand was gestart.
Op 23 januari 2024 vond een digitaal spreekuur plaats met de bedrijfsarts in Nederland. De bedrijfsarts noteerde dat een onderzoek nodig was dat niet digitaal kon worden uitgevoerd. Na de behandeling van een maand in Portugal zou de werknemer naar Nederland moeten komen voor behandeling. Op de vraag of sprake was van een reisbeperking antwoordde de bedrijfsarts: “nee”. Ook noteerde hij: “De voorwaarde voor ziekteverzuim is dat betrokkene in Nederland zijn behandeling volgt.”
Daarna vroeg de werknemer tot tweemaal toe om een second opinion door een andere bedrijfsarts, maar die verzoeken werden door de arbodienst afgewezen. Ook een verzoek om begeleiding door een andere bedrijfsarts werd afgewezen.
Vervolgens ontstond discussie over een afspraak bij de bedrijfsarts in februari 2024. De werknemer verscheen niet op het consult van 20 februari 2024, maar stelde dat hem de verkeerde datum was doorgegeven en dat de afspraak eigenlijk op 21 februari zou plaatsvinden. In zijn e-mail schreef hij zelfs: “I was prepared to come to the in person appointment on the 21st.” De werkgever bood later excuses aan voor de verwarring over de datum.
Op 27 februari 2024 vond alsnog een digitaal consult plaats. Ook toen bleef de bedrijfsarts bij zijn eerdere oordeel. Volgens de bedrijfsarts is er duidelijk een probleem maar is de vraag of er ook sprake is van ziekte. In de rapportage staat: “I cannot assess problem digitally” en ook: “The person concerned does not have a travel restriction.” De werknemer bleef daarna desondanks in Portugal. Later beriep hij zich ook nog op klachten na een motorongeluk in april 2024, maar daarin zag de kantonrechter geen voldoende onderbouwde reisbeperking.
In een brief van 21 maart 2024 deelt de werkgever aan de werknemer mede dat de loonbetaling wordt stopgezet. Dat leidt tot een procedure bij de kantonrechter, waarin de werknemer betaling van het loon vordert.
De kantonrechter volgt echter de werkgever. De rechter overweegt dat in Nederland de bedrijfsarts degene is die moet vaststellen of een werknemer in staat is passende werkzaamheden te verrichten en dat de werkgever bij de inrichting van de re-integratie op dat oordeel mag afgaan. Vervolgens oordeelt de kantonrechter dat het afreizen naar Nederland in deze zaak nodig was voor de re-integratie en dat “het voorschrift van de werkgever daarom gepast en niet onredelijk is.” Daarbij woog mee dat de bedrijfsarts herhaaldelijk had geoordeeld dat geen reisbeperking bestond, dat de Portugese medische stukken volgens de kantonrechter te weinig concreet waren en dat de werknemer zelf had geschreven dat hij bereid was geweest om naar Nederland te komen. De conclusie luidde daarom dat de werknemer zonder deugdelijke grond het voorschrift niet had opgevolgd en dat de loonstop terecht was.