Een werknemer is werkzaam als beveiliger. Met een brief van 18 juli 2025 heeft de korpschef van de politie-eenheid Den Haag de werkgever en de werknemer in kennis gesteld van het voornemen om op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus de toestemming voor de werknemer om werkzaamheden te verrichten voor de werkgever, in te trekken. De werknemer heeft zich met ingang van 12 augustus 2025 ziekgemeld. In een brief van de korpschef van 9 september 2025 wordt aan de werkgever en de werknemer medegedeeld dat de aan de werknemer verleende toestemming om voor de werkgever te werken vanwege “binnengekomen ambtsberichten” is ingetrokken. Daarop heeft de werkgever de werknemer met een brief van 7 oktober 2025 laten weten dat de loonbetaling aan hem met ingang van 9 september 2025 is gestaakt. In een advies van de bedrijfsarts van 17 november 2025 staat dat de werknemer arbeidsongeschikt is en vanaf 1 april 2026 naar verwachting weer volledig arbeidsgeschikt zal zijn.
De werknemer vordert in kort geding betaling van het loon vanaf 9 september 2025. Hij stelt daarbij dat hij al ziek was voordat de korpschef de toestemming om als beveiliger te mogen werken had stopgezet. Hij stelt bovendien dat de intrekking van de toestemming nog niet definitief is, omdat hij daartegen bezwaar heeft gemaakt.
De kantonrechter stelt enerzijds vast dat de werknemer vanaf 12 augustus 2025 wegens ziekte verhinderd is om te werken en dat hij op grond van de wet in principe recht heeft op doorbetaling van zijn loon tijdens ziekte. De kantonrechter stelt anderzijds vast dat de intrekking van de toestemming om te werken voor de werkgever in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen, zodat de werknemer op grond van een andere wettelijke bepaling geen recht heeft op loon. De kantonrechter overweegt dat er aldus twee wettelijke regels samenlopen en dat deze botsen: enerzijds heeft de werknemer recht op loon tijdens ziekte, anderzijds heeft hij geen recht op loon omdat het niet werken door de intrekking van de toestemming om te werken voor zijn rekening behoort te komen.
De kantonrechter overweegt vervolgens dat de primaire oorzaak van de verhindering om te werken bepalend is voor de beslissing welke bepaling voorgaat op de andere. Die primaire oorzaak is naar het oordeel van de kantonrechter gelegen in de intrekking van de toestemming om te werken door de korpschef. Hij komt tot dit oordeel omdat (1) de intrekking van de toestemming om te werken al aan de werkgever en de werknemer was aangekondigd vóór de datum van de ziekmelding, (2) de werknemer niet aannemelijk heeft gemaakt dat de intrekking van de toestemming om te werken verband houdt met zijn ziekte of daarvan het gevolg is; (3) door de intrekking van de toestemming om te werken elke mogelijkheid van de werknemer om te werken voor de werkgever is geblokkeerd, en de werknemer dus ook geen recht op loon heeft als hij niet (meer) ziek is.
Dat de intrekking van de toestemming om te werken vanwege het ingediende bezwaar nog niet definitief is, doet daaraan naar het oordeel van de kantonrechter niet af. Bovendien is de kantonrechter niet gebleken van een duidelijke fout of vergissing bij de intrekking van de toestemming om te werken.