Heeft u vragen? Wij zijn telefonisch bereikbaar op 030 262 45 94
Ons kantoor is open van ma t/m vrij tussen 08:00 en 17:00 uur
b+p Belastingadviseurs - 19/04/2026 - Juridisch

Opleiding tot registeraccountant is geen noodzakelijke opleiding voor functie als assistent-accountant

Juridisch

Uitspraak

In de arbeidsovereenkomst tussen een accountantskantoor en een assistent-accountant was een studiekostenbeding opgenomen waardoor de werknemer de kosten van de opleiding tot registeraccountant, die door het accountantskantoor waren betaald, onder bepaalde omstandigheden moest terugbetalen. Dat studiekostenbeding was niet nietig, omdat de opleiding tot registeraccountant niet verplicht was voor de uitoefening van de functie van assistent-accountant. Maar de werknemer hoefde toch maar een deel van de kosten terug te betalen, omdat het studiekostenbeding niet voldeed aan de eisen die daaraan in de jurisprudentie worden gesteld.

Een accountantskantoor had in 2023 een werknemer in dienst genomen die in 2020 bij een ander accountantskantoor een opleiding was gestart tot registeraccountant. Dat andere accountantskantoor had de kosten van die opleiding vergoed en was daarbij met de werknemer overeengekomen dat de werknemer bij het einde van de arbeidsovereenkomst een deel van de kosten van die opleiding moest terugbetalen. Het accountantskantoor waar de werknemer in 2023 in dienst trad, had met de werknemer afgesproken dat dat kantoor het bedrag zou betalen dat de werknemer aan zijn vorige werkgever verschuldigd was (ruim € 15.000). Het aldus betaalde bedrag en de verder door het accountantskantoor betaalde studiekosten zou de werknemer volledig moeten terugbetalen als hij de opleiding niet met succes zou afronden. Bij het einde van de arbeidsovereenkomst zou de werknemer bovendien de kosten die de werkgever in de laatste twaalf maanden had betaald volledig moeten terugbetalen, de kosten die de werkgever in de daaraan voorafgegane twaalf maanden had betaald voor 2/3e deel moeten terugbetalen en de kosten die de werkgever in de daar weer aan voorafgegane periode van twaalf maanden had betaald voor 1/3e deel moeten terugbetalen.
In januari 2025 behaalt de werknemer het bachelor diploma. Ruim een maand later, en met de masteropleiding nog te gaan, zegt de werknemer zijn arbeidsovereenkomst op omdat hij een opleiding tot piloot gaat volgen. Het accountantskantoor vordert dan een bedrag van ruim € 17.000 aan studiekosten terug. Daartoe behoort een bedrag van ruim € 10.000, zijnde 2/3e deel van de kosten die het accountantskantoor aan de vorige werkgever heeft vergoed. Aanvankelijk is de werknemer bereid om een betalingsregeling te treffen voor deze studieschuld, maar later stelt hij zich op het standpunt dat het studiekostenbeding nietig is, omdat het zou gaan om een verplichte beroepsopleiding.
Als de kantonrechter over het geschil moet oordelen, blijkt die het niet met de werknemer eens te zijn dat het om een verplichte beroepsopleiding zou gaan. De kantonrechter leidt dat af uit het feit dat de werknemer is aangenomen op basis van zijn VWO-diploma en dat zijn functie als “ervaren assistent-accountant” ook een eindfunctie kan zijn. De RA-opleiding wordt ook niet in de functiebeschrijving genoemd, terwijl dat bij de hogere functie van accountant-medewerker wel het geval is. Voor de functie van partner ziet de kantonrechter het als een startkwalificatie. Dat de opleiding gebruikelijk is en als wenselijk wordt beschouwd en dat deze de doorgroeimogelijkheden bevordert, betekent volgens de kantonrechter nog niet dat de functie ook noodzakelijk is.
De werknemer had ook nog betoogd dat het studiekostenbeding niet voldoet aan de eisen die de Hoge Raad daar in zijn jurisprudentie aan stelt, te weten:
• De verplichting tot terugbetaling van studiekosten moet in evenredigheid staan tot de mate en de periode waarin de werkgever van de studiewerkzaamheden heeft kunnen profiteren.
• De consequentie van verplichte terugbetaling van studiekosten moet duidelijk aan de werknemer zijn uitgelegd.
Omdat de werknemer tijdens zijn opleiding één dag per week onderwijs volgde en vier dagen per week werkte, had de werkgever volgens de kantonrechter al direct baat bij de studiewerkzaamheden. De kantonrechter is daarom van mening dat de terugbetalingsverplichting niet pas na twaalf maanden zou dienen te verminderen. De kantonrechter is het er ook niet mee eens dat voor wat betreft het bedrag dat het accountantskantoor aan de vorige werkgever had vergoed, de terugbetalingsverplichting pas zou verminderen twaalf maanden na de betaling door het accountantskantoor aan de vorige werkgever, terwijl de terugbetalingsverplichting bij de vorige werkgever al aan het verminderen zou zijn geweest. Deze consequentie is volgens de kantonrechter onvoldoende duidelijk aan de werknemer uitgelegd. Het verweer van de werknemer dat de bedragen van de studiekosten hem vooraf onvoldoende bekend zouden zijn geweest, wordt door de kantonrechter echter verworpen. De werknemer had de factuur van de vorige werkgever zelf aan het accountantskantoor doorgestuurd en had de overige studiekosten zelf gedeclareerd.
Uiteindelijk moet de werknemer nog een bedrag van ruim € 4.000 aan het accountantskantoor terugbetalen.

Commentaar

In september 2025 heeft de Hoge Raad bepaald dat elke opleiding die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie valt onder de wettelijke verplichting dat opleidingen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de functie gratis moeten zijn en onder werktijd moeten plaatsvinden. Een studiekostenbeding dat onder bepaalde voorwaarden een terugbetalingsregeling van de studiekosten bevat, is dan niet rechtsgeldig. Alleen opleidingen die een startkwalificatie voor een functie vormen (bijvoorbeeld een rijbewijs voor een beroepschauffeur) vallen buiten die verplichting. Daarnaast vallen alle opleidingen die noodzakelijk zijn voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst onder de wettelijke verplichting dat die opleidingen gratis moeten zijn en onder werktijd moeten plaatsvinden, indien de functie van de werknemer komt te vervallen of hij niet langer in staat is deze te vervullen (duurzame inzetbaarheid).
Opleidingen voor een functie die de werknemer in de toekomst zou willen gaan vervullen, vallen echter buiten de wettelijke verplichting. Daaraan kan dus wel een studiekostenbeding met een terugbetalingsverplichting worden gekoppeld. Maar als de werkgever eist dat de werknemer in de toekomst doorgroeit naar die functie, dan is het weer wel een verplichte opleiding en valt die wel onder de wettelijke verplichting dat de opleiding gratis moet zijn en onder werktijd moet plaatsvinden. In dit geval was echter duidelijk dat de werknemer niet per se naar een hogere functie behoefde door te groeien. Gelet op de nadruk die in de wetsgeschiedenis en in de uitspraak van de Hoge Raad wordt gelegd op “een leven lang leren”, zou een nog verdergaande uitleg van de wettelijke verplichting dat opleidingen gratis moeten zijn en onder werktijd moeten plaatsvinden, niet ondenkbaar zijn geweest.
Dat het voor de werkgever in deze kwestie toch nog (grotendeels) fout afliep, houdt verband met de strikte toepassing die de kantonrechter gaf aan de al veel oudere jurisprudentie van de Hoge Raad over het studiekostenbeding. Dat moet voor werkgevers een waarschuwing zijn: de terugbetalingsverplichting moet verminderen in dezelfde mate als waarin de werkgever van de opleiding profiteert. Een maandelijkse vermindering van de terugbetalingsverplichting voldoet beter aan die eis dan een jaarlijkse vermindering. En de consequenties van een eventuele terugbetalingsverplichting moeten vooraf ook heel duidelijk aan de werknemer zijn medegedeeld.

b+p Belastingadviseurs maakt gebruik van functionele cookies die strikt noodzakelijk zijn voor de werking van de website en analytische cookies om inzicht te krijgen in de werking en effectiviteit van de website. De analytische cookies zijn volledig geanonimiseerd en wij plaatsen geen marketing cookies. Meer informatie over privacy.