Heeft u vragen? Wij zijn telefonisch bereikbaar op 030 262 45 94
Ons kantoor is open van ma t/m vrij tussen 08:00 en 17:00 uur
b+p Belastingadviseurs - 14/03/2026 - Juridisch

Wie is aansprakelijk voor een onrechtmatig besluit inzake een Ziektewetuitkering: het UWV of de eigenrisicodrager?

Juridisch

Een werknemer vroeg het UWV tevergeefs om schade te vergoeden als gevolg van een onrechtmatig gebleken fout bij een beslissing tot intrekking van een Ziektewetuitkering. Toen het UWV de rechtbank verzocht om alsnog schadevergoeding toe te kennen, wees de rechtbank dat verzoek af omdat de voorbereiding van het onrechtmatige besluit niet door het UWV was gedaan, maar door de ex-werkgever die eigenrisicodrager was voor de Ziektewet.

De uitspraak van de rechtbank miskent echter de specifieke regelgeving op het gebied van het ZW-eigenrisicodragen, die voorziet in aansprakelijkheid van het UWV voor onrechtmatige besluiten betreffende een Ziektewetuitkering, terwijl die besluiten door de eigenrisicodrager moeten worden voorbereid. Ook ziet de rechtbank over het hoofd dat in het civiele schadevergoedingsrecht, dat ook door de bestuursrechter wordt toegepast, voor een bestuursorgaan een risicoaansprakelijkheid geldt voor schade als gevolg van onrechtmatige besluiten van een bestuursorgaan.

Uitspraak

Aan een werknemer is met ingang van 16 februari 2019 een WW-uitkering toegekend. Ruim een jaar later besluit het UWV om per diezelfde datum een Ziektewetuitkering aan de werknemer toe te kennen. De oorspronkelijk toegekende WW-uitkering moet daarmee dan zijn vervallen. Het gevolg daarvan is dat de Ziektewetuitkering behoort tot het risico van de werkgever die op dat moment eigenrisicodrager voor de Ziektewet was.
De eigenrisicodrager meldt de ex-werknemer vervolgens per 23 augustus 2010 hersteld. Het UWV besluit dan op 24 augustus 2010 dat de Ziektewetuitkering per 23 augustus 2010 wordt beëindigd. Tegen dat besluit maakt de ex-werknemer geen bezwaar.
Meer dan tien jaar (!) later, op 1 februari 2021, vraagt de ex-werknemer het UWV om terug te komen van dat besluit. Vervolgens besluit het UWV op 10 december 2021 dat de werknemer met ingang van 10 februari 2020 recht heeft op een IVA-uitkering.
De ex-werknemer stelt schade te hebben geleden door dit besluit van het UWV, aangezien hij door de nabetaling van de IVA-uitkering over de periode van 10 februari 2020 tot 1 januari 2022 meer inkomstenbelasting heeft moeten betalen, recht had op een lager bedrag aan huur-en zorgtoeslag en bijstand aan de gemeente heeft moeten terugbetalen, dit vanwege een ontvangen erfenis en wettelijke rente. In 2024 wijst het UWV een verzoek van de ex-werknemer om schadevergoeding af. Volgens het UWV is het besluit van 24 augustus 2010 wel onrechtmatig, omdat het UWV is teruggekomen van de eerdere hersteldmelding, maar is het UWV daarvoor niet aansprakelijk omdat de uitvoering van de Ziektewet, inclusief de verzuimbegeleiding en de medische controle, de verantwoordelijkheid van de eigenrisicodrager was. De ex-werknemer is in de periode van oktober 2010 tot januari 2021 niet bij het UWV in beeld geweest.
Daarop verzoekt de ex-werknemer de rechtbank om schadevergoeding aan hem toe te kennen. De rechtbank stelt vast dat de onrechtmatigheid van het besluit van 24 augustus 2010 niet in geschil is. Maar de rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af omdat het onrechtmatige besluit niet is terug te voeren tot handelen of nalaten van het UWV, maar van de eigenrisicodrager. Fouten bij de besluitvorming komen daardoor volgens de rechtbank niet voor rekening van het UWV. Voor zover de geleden schade het rechtstreekse en onmiddellijke gevolg zijn van het ten onrechte beëindigen van de Ziektewetuitkering per 23 augustus 2010, is dat volgens de rechtbank niet het gevolg van het besluit van het UWV van 24 augustus 2010.

Commentaar

Over deze zaak valt veel te zeggen.
Op de eerste plaats roept de gang van zaken zoals die in de uitspraak van de rechtbank (mogelijk onvolledig) is beschreven, de nodige vragen op. Allereerst valt natuurlijk op dat een besluit van 2010 over de intrekking van een Ziektewetuitkering meer dan tien jaar later wordt herzien, en dan nog in de vorm van de toekenning van een IVA-uitkering.
Voor wat betreft het “meer dan tien jaar later”: de wet kent geen maximumtermijn voor het indienen van een verzoek bij het UWV om een eerder genomen besluit (waartegen geen bezwaar gemaakt is) te herzien. Als een belanghebbende een dergelijk herzieningsverzoek (we spreken dan van een “verzoek om terug te komen van een eerder besluit”) indient, is het UWV alleen gehouden de eerdere beslissing te herzien als de belanghebbende heeft aangetoond dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De rechter toetst dan in beginsel alleen of dat standpunt van het UWV evident onredelijk is. Maar het UWV mag wel besluiten een eerdere beslissing te herzien, ook al is er geen sprake van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden. Dat besluit moet dan wel van een deugdelijke motivering worden voorzien, zeker als er, zoals in dit geval, een derde-belanghebbende is in de vorm van een ex-werkgever die alsnog een deel van de Ziektewetuitkering zou moeten betalen. Dat het besluit meer dan tien jaar later wordt herzien, zou dus kunnen, al vraagt dat wel om een stevige motivering. Dat feiten na zo lange tijd niet meer duidelijk zijn is daarbij overigens een risico van de ex-werknemer, die zo laat om herziening vraagt. Dat risico mag niet op de ex-werkgever worden afgewenteld.
Wat in elk geval niet kan is een beslissing over de beëindiging van een Ziektewetuitkering herzien in een besluit om een IVA-uitkering toe te kennen. Het gaat daarbij namelijk om twee afzonderlijke kwesties die vragen om twee afzonderlijke beslissingen: een beslissing tot herziening van het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering en een beslissing tot toekenning van een IVA-uitkering. Het besluit tot herziening van de beslissing tot beëindiging van de Ziektewetuitkering zou bovendien door de ex-werkgever als eigenrisicodrager moeten zijn voorbereid.
Vreemd is ook de toekenning van de IVA-uitkering per 10 februari 2020, terwijl het herzieningsverzoek op 1 februari 2021 is ingediend. De toekenning van een IVA-uitkering kan volgens de wet met maximaal een jaar terugwerkende kracht. Waarom is de IVA-uitkering niet per 1 februari 2020 toegekend? Of is hier sprake van een typefout of daarmee vergelijkbare fout?
Tenslotte roept de schadeclaim van de ex-werknemer vragen op. Dat de ex-werknemer misschien meer inkomstenbelasting moet betalen, huur- en zorgtoeslag moet betalen en bijstand moet terugbetalen als aan hem met terugwerkende kracht een IVA-uitkering wordt toegekend, is op zichzelf geen schade. Bij een rechtmatig besluit zou de ex-werknemer immers ook meer inkomstenbelasting moeten betalen, minder recht op huur- en zorgtoeslag hebben gehad en geen of minder bijstand hebben ontvangen. Het lijkt er echter om te gaan dat de IVA-uitkering nu wordt betaald in een jaar waarin de ex-werknemer ook nog een erfenis heeft ontvangen met daarnaast nog wettelijke rente.
Maar los van de vragen die de casus oproept, is vooral de uitspraak van de rechtbank onjuist. De rechtbank miskent namelijk dat er specifieke regelgeving op het gebied van het ZW-eigenrisicodragen is die bepaalt dat het UWV schadevergoeding moet betalen als een besluit over een Ziektewetuitkering, onrechtmatig is, ondanks dat een dergelijk besluit door een eigenrisicodrager is voorbereid. De rol van het UWV bij de totstandkoming van het besluit is ook groter dan de rechtbank doet voorkomen. Het is namelijk de wettelijke taak van het UWV om zich ervan te verzekeren dat de beslissing door de eigenrisicodrager zorgvuldig is voorbereid en dat het voorstel van de eigenrisicodrager voor het te nemen besluit wordt gedragen door de onderliggende feiten. Dat wordt weliswaar aangeduid als een “marginale toetsing”, maar het betekent niet dat het UWV zich van elke verantwoordelijkheid voor het onrechtmatige besluit kan onttrekken. Overigens is in het civiele schadevergoedingsrecht, dat de bestuursrechter volgt, uitgangspunt dat voor de overheid een risicoaansprakelijkheid geldt voor onrechtmatige besluiten van een bestuursorgaan. Toerekeningsvragen zijn daarmee in beginsel niet aan de orde.

b+p Belastingadviseurs maakt gebruik van functionele cookies die strikt noodzakelijk zijn voor de werking van de website en analytische cookies om inzicht te krijgen in de werking en effectiviteit van de website. De analytische cookies zijn volledig geanonimiseerd en wij plaatsen geen marketing cookies. Meer informatie over privacy.