Een werkgever had aan een werknemer een lening verstrekt. Nadat de arbeidsovereenkomst geëindigd was, bleef de werknemer in gebreke met de terugbetaling van de lening. Een vordering tot veroordeling van de werknemer tot terugbetaling werd echter door de kantonrechter afgewezen. De lening kwalificeerde volgens de kantonrechter als een consumentenkrediet en de werkgever had niet voldaan aan de wettelijke voorwaarden die dan gelden, waaronder het vooraf geven van informatie en het vooraf beoordelen van de kredietwaardigheid van de werknemer. De werkgever stelde nog hoger beroep in met het gerechtshof, maar die was het met de kantonrechter eens.
Een loodgieters- en verwarmingsbedrijf had in december 2023 een geldlening aan een werknemer verstrekt van € 50.000. Daarbij was een rente overeengekomen van 7% per jaar. In de leningsovereenkomst was afgesproken dat de werkgever verschuldigde bedragen mag inhouden op het loon, als de werknemer niet voldoet aan verplichtingen die op grond van de leningsovereenkomst voor hem gelden. Nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, voldoet de werknemer niet aan die verplichtingen. Dat leidt ertoe dat de werkgever een vordering bij de kantonrechter instelt tot betaling van een bedrag van bijna € 52.000 (behalve de resterende hoofdsom dus waarschijnlijk ook rente en kosten).
De werknemer verschijnt niet in de procedure bij de kantonrechter en daarom wijst de kantonrechter een verstekvonnis. Daarbij wordt de vordering van de werkgever echter afgewezen. Volgens de kantonrechter is de geldlening namelijk een overeenkomst van consumentenkrediet in de zin van de wet en heeft de werkgever niet voldaan aan wettelijke voorwaarden die in dat verband gelden. Het gaat dan bijvoorbeeld om informatieverplichtingen en een kredietwaardigheidstoets voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.
In hoger beroep betwist de werkgever dat sprake is van een overeenkomst van consumentenkrediet, met als argument dat de lening als werkgever is verstrekt. De lening was daarmee volgens de werkgever onderdeel van de arbeidsovereenkomst. Maar het hof is het met de kantonrechter eens. De lening valt onder de wettelijke definitie van een consumentenkredietovereenkomst. Een lening van de werkgever kan daarvan uitgezonderd zijn, maar dan moet de rente wel lager zijn dan de marktrente. De werkgever heeft echter niet aangevoerd dat een rente van 7% lager is dan de marktrente. En omdat de werkgever, ook in hoger beroep, geen andere grondslag voor zijn vordering heeft gegeven dan de geldleningsovereenkomst, wordt de vordering van de werkgever ook door het hof afgewezen.
Op lening aan werknemer kunnen voorwaarden van consumentenkrediet van toepassing zijn
Juridisch
Uitspraak
Commentaar
Als een werkgever een werknemer geld uitleent gebeurt dat vaak in de veronderstelling dat de rente en aflossing met de maandelijkse loonbetaling kunnen worden verrekend. Maar verrekening van vorderingen van de werkgever met het loon van een werknemer is maar beperkt toegestaan. Alleen schadevergoeding, boetes, voorschotten en te veel betaald loon kunnen worden verrekend. Rente en aflossing van een lening mogen niet met het loon worden verrekend. Daarmee strijdige afspraken kunnen achteraf door de werknemer worden vernietigd.
Bij het einde van de arbeidsovereenkomst kan de werkgever alle soorten vorderingen met het loon van de werknemer verrekenen, maar de werkgever moet er dan nog steeds rekening mee houden dat geen verrekening kan plaatsvinden met het bedrag van het loon waarop ook geen beslag kan worden gelegd (een bedrag ter grootte van het wettelijk minimumloon). Het is dus helemaal niet zeker dat rente en aflossing van een geldlening aan een werknemer uit het loon betaald kunnen worden. Met name als de werknemer de arbeidsovereenkomst beëindigt moet de werkgever maar zien hoe hij rente en aflossing op de werknemer verhaald krijgt.
Het arrest van het gerechtshof maakt duidelijk dat de werkgever bovendien een extra risico loopt als de leningsovereenkomst wordt aangemerkt als een overeenkomst van consumentenkrediet en de werkgever niet voldaan heeft aan de daarbij op de kredietgever rustende verplichtingen. Om te voorkomen dat sprake is van een overeenkomst van consumentenkrediet zou de werkgever geen rente moeten afspreken of een lagere rente dan de marktrente. Als dat niet gebeurd is leidt het niet nakomen van de verplichtingen die gelden als sprake is van een overeenkomst van consumentenkrediet, tot de mogelijkheid dat de overeenkomst wordt vernietigd. Hoewel het arrest van het hof dat niet met zoveel woorden vermeldt, is dat wat kennelijk hier gebeurd is.
Belangrijk is dat de rechter uit eigen beweging moet toetsen of consumentenbescherming van toepassing is. In dit geval deed de rechter dat dan ook, zelfs ondanks dat de werknemer niet in de procedure was verschenen.
De uitkomst van de procedure is voor de werkgever natuurlijk heel onbevredigend: ondanks dat de werknemer niet in de procedure is verschenen en ondanks dat in twee instanties is geprocedeerd, hoeft de werknemer nog steeds niet het geld terug te betalen dat de werkgever aan hem heeft uitgeleend. Maar dat heeft de werkgever wel een beetje aan zichzelf te wijten. De werkgever had in de procedure (eventueel naast andere standpunten) het standpunt moeten innemen dat de vernietiging van de geldleningsovereenkomst betekent dat de werknemer dan toch in elk geval de hoofdsom moet terugbetalen. Als gevolg van de vernietiging van de geldleningsovereenkomst ontstaan namelijk zogenaamde “ongedaanmakingsverbintenissen”. De partijen moeten dan de prestaties ongedaan maken die op grond van de vernietigde overeenkomst zijn geleverd: de werkgever moet de ontvangen rente en aflossingen terugbetalen en de werknemer de ontvangen hoofdsom. In een nieuwe procedure zal de werkgever nu op die grond de hoofdsom moeten terugvorderen. De rente is hij echter kwijt en kosten in rekening brengen kan hij ook niet.