Het UWV heeft een reeds lang lopende WIA-uitkering van een werkneemster in de bezwaarfase omgezet van een WGA-uitkering naar een IVA-uitkering. De werkneemster is het echter niet eens met de vaststelling van het dagloon en gaat in beroep. Zij vindt dat zij is aan te merken als een “medische afzakker” en dat de referteperiode voor de vaststelling van het dagloon daardoor onjuist is vastgesteld.
De rechter overweegt dat voor de berekening van het WIA-dagloon niet van belang is of de werkneemster kan worden aangemerkt als een “medische afzakker”. Het standpunt van de werkneemster dat het dagloon onjuist is vastgesteld kan alleen slagen als moet worden uitgegaan van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Dat heeft dan een andere referteperiode voor de berekening van het dagloon tot gevolg. Maar daarvoor is vereist dat de werkneemster gedurende een aaneengesloten periode van 104 weken wegens medische beperkingen niet in staat is geweest haar functie volledig uit te oefenen. De rechtbank ziet geen reden om een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag aan te nemen. Er is dan ook uitgegaan van een juiste referteperiode voor de vaststelling van het dagloon.
Een werkneemster is op 7 december 2015 wegens ziekte uitgevallen voor haar werkzaamheden. Na afloop van de wachttijd van 104 weken komt zij per 4 december 2017 in aanmerking voor een loongerelateerde WGA-uitkering. Het UWV acht haar na arbeidsdeskundig onderzoek volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt.
In 2021 doet haar ex-werkgever bij het UWV een aanvraag voor een herbeoordeling. Naar aanleiding van die herbeoordeling beëindigt het UWV de WGA-uitkering per 3 mei 2021. Het UWV is namelijk tot de conclusie gekomen dat de werkneemster minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit maakt de werkneemster bezwaar. In bezwaar wordt haar mate van arbeidsongeschiktheid alsnog vastgesteld op 64,06%. Het door de werkneemster ingestelde beroep tegen de beslissing op bezwaar van het UWV wordt door de rechtbank ongegrond verklaard.
Bij een besluit van 5 oktober 2023 zet het UWV de WGA-loonaanvullingsuitkering van de werkneemster met ingang van 1 december 2023 om in een WGA-vervolguitkering. Ook tegen dit besluit maakt de werkneemster bezwaar. Het UWV verklaart dit bezwaar gegrond en kent met ingang van 1 december 2023 alsnog een IVA-uitkering toe, omdat gebleken is dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
Ondanks de toekenning van de IVA-uitkering gaat de werkneemster in beroep, omdat zij het niet eens is met de hoogte van de IVA-uitkering. Zij vindt dat het dagloon onjuist is vastgesteld. Zij voert aan dat bij de berekening van het dagloon van een onjuiste referteperiode is uitgegaan, omdat zij een “medische afzakker” zou zijn. Volgens de werkneemster dient haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag te worden vastgesteld op april 2014, omdat zij toen als gevolg van ziekte of gebrek al gestopt was met het verrichten van overwerk.
De rechtbank stelt voorop dat de vraag of sprake is van een medische afzakker niet relevant is voor de berekening van het WIA-dagloon. Het standpunt van de werkneemster dat haar dagloon onjuist is vastgesteld, kan slechts slagen als moet worden uitgegaan van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan 7 december 2015. Daarvoor is vereist dat de werkneemster gedurende een aaneengesloten periode van 104 weken wegens medische beperkingen niet in staat is geweest haar functie volledig uit te oefenen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de werkneemster vanaf april 2014 gedurende 104 weken onafgebroken om medische redenen niet in staat is geweest haar functie in volle omvang te verrichten. Uit de beschikbare loongegevens blijkt bovendien niet dat het verminderen van de overwerkuren heeft geleid tot een daling van het loon. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om voor de vaststelling van het refertejaar uit te gaan van een andere eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan 7 december 2015. Het WIA-dagloon is dan ook vastgesteld op basis van de juiste referteperiode.