Een zieke werkneemster vraagt een WIA-uitkering aan. Zij werkte 40 uur per week, vier dagen thuis en één dag op kantoor. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek stelt het UWV haar arbeidsongeschiktheid aanvankelijk vast op 33,64%. Omdat dit minder is dan 35%, heeft zij geen recht op een WIA-uitkering.
Als de werkneemster bezwaar maakt, stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer beperkingen vast. Daardoor vervallen enkele eerder geselecteerde voorbeeldfuncties en daalt haar resterende verdiencapaciteit. De arbeidsongeschiktheid komt uit op 39,74%. Het UWV kent daarom alsnog een WGA-uitkering toe.
De werkgever komt hiertegen op, maar krijgt bij de rechtbank geen gelijk. In hoger beroep betwist de werkgever onder meer dat de eigen functie ongeschikt was vanwege de reistijd. De Centrale Raad van Beroep rekent die reistijd echter tot de maatgevende arbeid. De werkneemster werkte één dag per week op kantoor en haar reistijd maakte deels onderdeel uit van de werktijd. Daardoor duurde die werkdag, inclusief reizen, langer dan acht uur. Dat overschreed haar belastbaarheid.
Een zieke werkneemster vraagt een WIA-uitkering aan. Zij werkte bij haar werkgever 40 uur per week, waarvan vier dagen per week thuis en één dag per week op kantoor. De werkneemster wordt onderzocht door een verzekeringsarts, die de beperkingen voor het verrichten van arbeid vaststelt, die uit de ziekte van de werkneemster voortvloeien. De belastbaarheid van de werkneemster legt de verzekeringsarts vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens stelt een arbeidsdeskundige van het UWV vast dat de werkneemster niet meer geschikt is voor het werk dat zij bij de werkgever verrichtte. Maar de arbeidsdeskundige kan voldoende voorbeeldfuncties aanwijzen die de werkneemster met haar beperkingen nog wel kan doen. Door vergelijking van het loon in die functies met het loon in de functie die de werkneemster had voordat zij ziek werd, stelt de arbeidsdeskundige vast dat de werkneemster 33,64% arbeidsongeschikt is. Omdat zij daarmee de wettelijke ondergrens van 35% niet haalt, weigert het UWV om een WIA-uitkering aan de werkneemster te verstrekken.
De werkneemster is het daarmee niet eens. Zij dient een bezwaarschrift in bij het UWV. De werkneemster wordt onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Die is van mening dat de werkneemster meer beperkingen heeft dan eerder was aangenomen. De Functionele Mogelijkhedenlijst wordt daarom gewijzigd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het UWV stelt vervolgens vast dat de werkneemster daardoor niet alle voorbeeldfuncties kan doen die eerder wel geschikt voor haar werden geacht. Met de functies die de werkneemster nog wel kan doen kan zij minder verdienen dan met de functies die eerder nog geschikt voor haar werden geacht. Daarom wordt de mate van arbeidsongeschiktheid in bezwaar vastgesteld op 39,74%. Omdat dat wel boven de ondergrens van 35% is, wordt nu alsnog een WGA-uitkering aan de werkgeefster toegekend.
Dit keer is het de (ex-) werkgever die het niet met het UWV eens is. Vanwege de kosten die de WGA-uitkering voor de werkgever veroorzaakt, heeft de werkgever het recht om beroep bij de rechtbank in te stellen. Van dat recht maakt de werkgever gebruik. Maar de rechtbank vindt dat het UWV de juiste beslissing heeft genomen en verklaart het beroep ongegrond.
Als de werkgever vervolgens hoger beroep instelt, moet de Centrale Raad van Beroep over de zaak oordelen. De werkgever baseert zijn hoger beroep op twee gronden.
Op de eerste plaats stelt de werkgever dat de verzekeringsarts geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek had mogen doen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld had moeten worden op basis van de verdiensten die de werkneemster behaalde met haar arbeid voor de werkgever (de zogenaamde “praktische schatting van de resterende verdiencapaciteit”). De Centrale Raad van Beroep wijst erop dat een schatting op basis van de praktische inkomsten van een werknemer alleen mogelijk is als het werk waarmee die inkomsten worden behaald, ook passend is voor de werkneemster. De werkgever had het volledige loon doorbetaald, maar het was niet duidelijk hoeveel uren de werkneemster had gewerkt en de werkneemster had bovendien gesteld dat de loonwaarde van haar werk lager was dan het ontvangen loon. Onder deze omstandigheden mocht het UWV volgens de Centrale Raad van Beroep geen praktische schatting doen. De theoretische schatting op basis van het verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek was daarmee de juiste wijze om de mate van arbeidsongeschiktheid van de werkneemster te bepalen.
Verder was de werkgever het ook niet eens met de rechtbank die de geschiktheid van de werkneemster voor haar eigen werk had beoordeeld met inbegrip van de reistijd van de werkneemster van en naar haar werk. De werkgever wijst erop dat aan de werkneemster de mogelijkheid van een hotelovernachting was aangeboden, zodat zij per dag niet zo lang hoefde te reizen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep had het eigen werk voor de werkneemster ongeschikt geacht, omdat zij als gevolg van haar ziekte maar acht uur per dag kon zitten of staan, terwijl zij gedurende één dag per week een reistijd met het openbaar vervoer zou hebben van drie uur heen en drie uur terug. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de werkneemster in haar eigen functie (de zogenaamde “maatgevende arbeid”) één dag per week op het kantoor van de werkgever moest werken en dat de reistijd van en naar dat kantoor ook tot de maatgevende arbeid behoort. De reistijd maakte namelijk onderdeel uit van de werktijd (en daarmee van de maatgevende arbeid), omdat de werkneemster maar zes uur per dag op het kantoor was (waarbij zij dan vijfeneenhalf uur werkte) en de reistijd na vier uur ’s middags als overwerk uitbetaald werd. Een werkdag was daarmee veel langer dan acht uur en dat past niet bij de beperking dat de werkneemster per dag maar acht uur mag zitten of staan. De werkgever had nog aangevoerd dat de reistijd per auto maar twee maal twee uur zou zijn, maar ook dan zou de werkdag langer zijn dan acht uur. De eigen functie was dus niet geschikt voor de werkneemster.
Beide argumenten van de werkgever worden dus verworpen en de in bezwaar alsnog toegekende WGA-uitkering blijft in stand.