Heeft u vragen? Wij zijn telefonisch bereikbaar op 030 262 45 94
Vacature Ons kantoor is nu open!
b+p Belastingadviseurs - 18/05/2016 - Juridisch

Aanvraag IVA-uitkering met verkorte wachttijd alsnog gehonoreerd na hoger beroep van werkgever

Juridisch

De aanvraag van de werknemer voor toekenning van een IVA-uitkering met verkorte wachttijd wordt alsnog gehonoreerd, omdat na deskundigenonderzoek blijkt dat zeer waarschijnlijk geen herstel meer te verwachten is. Dat dit niet met zekerheid kan worden vastgesteld, komt voor rekening van het UWV omdat het UWV heeft nagelaten de werknemer te spreken en door artsen te laten onderzoeken.

De werknemer was op 1 april 2009 als gevolg van een hersenbloeding uitgevallen voor zijn werkzaamheden als chauffeur. Op 14 december 2009 diende de werknemer een aanvraag in voor toekenning van een IVA-uitkering met verkorte wachttijd. Het UWV weigert een verkorte wachttijd toe te kennen, omdat herstel van de arbeidsbeperkingen niet uitgesloten zou zijn. In bezwaar verwijst de bezwaarverzekeringsarts naar een rapport van een (Duitse) behandelaar, waaruit de bezwaarverzekeringsarts afleidt dat nog verbetering mogelijk is. Als het bezwaar ongegrond wordt verklaard, stelt de werkgever tevergeefs beroep in bij de rechtbank.

In hoger beroep stelt de Centrale Raad van Beroep allereerst vast dat het UWV de medische situatie van de werknemer op een verkeerd tijdstip heeft beoordeeld. De toestand van de werknemer moet beoordeeld worden, niet per de datum van de (verplichte) verklaring van de bedrijfsarts en ook niet per de datum van de aanvraag van de uitkering, maar per de datum van het einde van de verkorte wachttijd, dat volgens de wet is gelegen tien weken na de dag waarop de aanvraag is ingediend. De verwijzing van het UWV naar de verklaring van de Duitse behandelaar is volgens de Centrale Raad van Beroep niet overtuigend, omdat deze ziet op de verpleegbehoefte en niet betekent dat er nog een relevante mate van arbeidsgeschiktheid zal ontstaan. Het beroep dat de bezwaarverzekeringsarts had gedaan op het toepasselijke verzekeringsgeneeskundige protocol is volgens de Centrale Raad van Beroep ten onrechte niet toegesneden op de beoordeling van de gezondheidssituatie van de werknemer in kwestie. De Centrale Raad van Beroep stelt daarom vast dat sprake is van een gebrek in de motivering van de beslissing op het bezwaarschrift van het UWV en stelt het UWV in de gelegenheid dat gebrek te herstellen.

De bezwaarverzekeringsarts brengt daarna een nieuw rapport uit, waarin geconcludeerd wordt dat ook op de datum van het einde van de verkorte wachttijd nog sprake was van een kans op herstel in de zin van verbetering van het functioneren. Over de vraag of daarmee ook arbeidsgeschiktheid van tenminste 20% zou ontstaan, zegt de bezwaarverzekeringsarts echter niets. De Centrale Raad van Beroep besluit daarop een onafhankelijke deskundige te raadplegen. Die geeft aan dat de gezondheidssituatie van de werknemer zeer complex is en dat deze niet beoordeeld kan worden zonder de werknemer zelf te spreken, te observeren en te onderzoeken. Hoewel de deskundige de belastbaarheid van de werknemer aan het einde van de verkorte wachttijd niet volledig kan inschatten, worden de arbeidsmogelijkheden van de werknemer als gering ingeschat. Op basis van de rapportage van de deskundige concludeert de Centrale Raad van Beroep dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid aan het einde van de verkorte wachttijd is uitgesloten. De deskundige heeft aangegeven dat zes maanden na een hersenbloeding in het algemeen geen grote verbetering van het functioneren meer te verwachten is en dat het het meest waarschijnlijk is dat de werknemer bij het einde van zijn ambulante behandeling op 28 september 2009 het plafond heeft bereikt voor wat betreft de mogelijkheden tot herstel. Ook de leeftijd van de werknemer en het feit dat er nog een ander ziektebeeld is, maken de prognose ongunstig. De Centrale Raad van Beroep concludeert daaruit dat herstel van de werknemer was uitgesloten. Dat de deskundige dit niet met zekerheid heeft kunnen vaststellen, laat de Centrale Raad van Beroep voor rekening van het UWV, omdat het UWV heeft nagelaten de betrokkene zelf te onderzoeken dan wel door Duitse artsen in zijn woonplaats te doen onderzoeken. De Centrale Raad van Beroep besluit uiteindelijk zelf dat per het einde van de verkorte wachttijd een IVA-uitkering moet worden toegekend.

Dit bericht is afkomstig van Kantoor Mr. van Zijl advocaten, lees het volledige bericht.

b+p Belastingadviseurs maakt gebruik van functionele cookies die strikt noodzakelijk zijn voor de werking van de website en analytische cookies om inzicht te krijgen in de werking en effectiviteit van de website. De analytische cookies zijn volledig geanonimiseerd en wij plaatsen geen marketing cookies. Meer informatie over privacy.