Heeft u vragen? Wij zijn telefonisch bereikbaar op 030 262 45 94
Vacature Ons kantoor is open van ma t/m vrij tussen 08:00 en 17:00 uur
b+p Belastingadviseurs - 07/06/2017 - Juridisch

Teruglegging van eerste dag van arbeidsongeschiktheid door UWV

Juridisch

Het UWV had besloten dat een werknemer die zich enkele maanden na het einde van het dienstverband met een werkgever ziek had gemeld, ziek was geworden binnen vier weken na het dienstverband met de werkgever. Dit oordeel had het UWV volgens de Centrale Raad van Beroep echter onvoldoende gemotiveerd.

De werknemer was door de werkgever in dienst genomen op 1 mei 2013. De arbeidsovereenkomst werd echter met een beroep op de proeftijd per 1 juni 2013 beëindigd omdat voor de werknemer niet de vereiste verklaring omtrent het gedrag kon worden verkregen. Op 24 september 2013 meldde de werknemer zich ziek. Hij genoot op dat moment een WW-uitkering. Op 31 januari 2014 werd de werknemer onderzocht door een verzekeringsarts van het UWV. Die verklaarde hem niet alleen per 17 februari 2014 hersteld maar bepaalde ook dat 19 juni 2013 de eerste dag van arbeidsongeschiktheid was. De reden daarvoor was dat de werknemer op die dag werd opgenomen in een privé-kliniek in verband met behandeling voor een verslaving aan cocaïne. Omdat die datum binnen vier weken na het einde van de arbeidsovereenkomst met de werkgever lag en derhalve binnen de periode waarin de Ziektewetverzekering nog “nawerkte”, werd aan de werknemer een Ziektewetuitkering toegekend. Tegen dat besluit kwam de werkgever in bezwaar op, maar het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond.

In beroep oordeelde de rechtbank dat het enkele feit dat de werknemer opgenomen is geweest in een verslavingskliniek onvoldoende reden was om de werknemer arbeidsongeschikt te achten. Het UWV had moeten nagaan of er een noodzaak was voor die opname en had informatie moeten verzamelen over de medische toestand van de werknemer op het moment van de opname. De rechtbank stelde het UWV in de gelegenheid om dit gebrek in de motivering van de beslissing op het bezwaarschrift te herstellen. Het UWV verzuimde echter om dat binnen de gestelde termijn te doen. De rechtbank vernietigde daarom de beslissing op bezwaarschrift van het UWV en droeg het UWV op om een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. In die uitspraak berustte het UWV.
Vervolgens nam het UWV een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van de werkgever, waarbij het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard werd. Het UWV stelde daarbij dat wel geprobeerd was om van de werknemer nieuwe informatie te verkrijgen, maar dat de werknemer niet had gereageerd en dat zijn curator (kennelijk was de werknemer inmiddels failliet of onder bewind of curatele gesteld) had verklaard dat geen nadere medische informatie kan worden verstrekt. Met die nieuwe beslissing nam de werkgever natuurlijk geen genoegen en een nieuw beroep bij de rechtbank werd ingesteld. Ook dat beroep werd door de rechtbank gegrond verklaard met als overweging dat de toekenning van de Ziektewetuitkering nog steeds alleen was gebaseerd op de opname in de verslavingskliniek.
Nu berustte het UWV niet in de uitspraak van de rechtbank. Hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd ingesteld. Omdat uit de verslaving gebreken voortvloeiden, was het UWV van mening dat voldoende was aangetoond dat sprake was van een noodzaak voor de opname in de kliniek.

Ook de Centrale Raad van Beroep stelt het UWV echter in het ongelijk. Daarbij wijst de Centrale Raad van Beroep er op dat het UWV heeft berust in de eerste uitspraak van de rechtbank en dat om die reden vaststaat dat het UWV de noodzaak van de opname in de kliniek moest beoordelen om zijn beslissing op het bezwaarschrift voldoende te onderbouwen. De Raad voegt daar echter aan toe dat in de specifieke omstandigheden van het geval ook naar zijn mening inderdaad onderzoek naar de noodzaak van de opname noodzakelijk was alvorens de eerste arbeidsongeschiktheidsdag verschoven kon worden. Daarbij wijst de Raad er op dat de werknemer niet ziek was toen hij uit dienst trad, dat niet gebleken is dat de werknemer tijdens het dienstverband veel heeft verzuimd, dat de werknemer al geruime tijd verslaafd was maar desondanks in diverse kortere en langere dienstverbanden arbeid heeft verricht en dat hij op 19 juni 2013 volgens informatie van de gemeente (waarvan de werknemer ook nog een bijstandsuitkering ontving) al minimaal 26 weken “clean” was en doende was te solliciteren. Verder was er geen verwijzing of indicatiestelling voor de opname en had de zorgverzekering de opname ook niet vergoed. En tenslotte ontbrak medische informatie over de redenen van opname en over de periode van de behandeling. Dat opname in een kliniek op dat moment de enige dan wel meest aangewezen behandelmogelijkheid was, stond volgens de Centrale Raad van Beroep niet vast. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag mocht daarom volgens de Centrale Raad van Beroep niet worden teruggelegd naar 19 juni 2013.

Dit bericht is afkomstig van Kantoor Mr. van Zijl advocaten, lees het volledige bericht.

b+p Belastingadviseurs maakt gebruik van functionele cookies die strikt noodzakelijk zijn voor de werking van de website en analytische cookies om inzicht te krijgen in de werking en effectiviteit van de website. De analytische cookies zijn volledig geanonimiseerd en wij plaatsen geen marketing cookies. Meer informatie over privacy.