Heeft u vragen? Wij zijn telefonisch bereikbaar op 030 262 45 94
Ons kantoor is open van ma t/m vrij tussen 08:00 en 17:00 uur
b+p Belastingadviseurs - 24/10/2026 - Juridisch

Werkneemster mag maar acht uur per dag mag zitten of staan. Telt de reistijd mee?

Juridisch

Uitspraak

Een zieke werkneemster vraagt een WIA-uitkering aan. Zij werkte 40 uur per week, vier dagen thuis en één dag op kantoor. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek stelt het UWV haar arbeidsongeschiktheid aanvankelijk vast op 33,64%. Omdat dit minder is dan 35%, heeft zij geen recht op een WIA-uitkering.
Als de werkneemster bezwaar maakt, stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer beperkingen vast. Daardoor vervallen enkele eerder geselecteerde voorbeeldfuncties en daalt haar resterende verdiencapaciteit. De arbeidsongeschiktheid komt uit op 39,74%. Het UWV kent daarom alsnog een WGA-uitkering toe.
De werkgever komt hiertegen op, maar krijgt bij de rechtbank geen gelijk. In hoger beroep betwist de werkgever onder meer dat de eigen functie ongeschikt was vanwege de reistijd. De Centrale Raad van Beroep rekent die reistijd echter tot de maatgevende arbeid. De werkneemster werkte één dag per week op kantoor en haar reistijd maakte deels onderdeel uit van de werktijd. Daardoor duurde die werkdag, inclusief reizen, langer dan acht uur. Dat overschreed haar belastbaarheid.

Een zieke werkneemster vraagt een WIA-uitkering aan. Zij werkte bij haar werkgever 40 uur per week, waarvan vier dagen per week thuis en één dag per week op kantoor. De werkneemster wordt onderzocht door een verzekeringsarts, die de beperkingen voor het verrichten van arbeid vaststelt, die uit de ziekte van de werkneemster voortvloeien. De belastbaarheid van de werkneemster legt de verzekeringsarts vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens stelt een arbeidsdeskundige van het UWV vast dat de werkneemster niet meer geschikt is voor het werk dat zij bij de werkgever verrichtte. Maar de arbeidsdeskundige kan voldoende voorbeeldfuncties aanwijzen die de werkneemster met haar beperkingen nog wel kan doen. Door vergelijking van het loon in die functies met het loon in de functie die de werkneemster had voordat zij ziek werd, stelt de arbeidsdeskundige vast dat de werkneemster 33,64% arbeidsongeschikt is. Omdat zij daarmee de wettelijke ondergrens van 35% niet haalt, weigert het UWV om een WIA-uitkering aan de werkneemster te verstrekken.
De werkneemster is het daarmee niet eens. Zij dient een bezwaarschrift in bij het UWV. De werkneemster wordt onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Die is van mening dat de werkneemster meer beperkingen heeft dan eerder was aangenomen. De Functionele Mogelijkhedenlijst wordt daarom gewijzigd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het UWV stelt vervolgens vast dat de werkneemster daardoor niet alle voorbeeldfuncties kan doen die eerder wel geschikt voor haar werden geacht. Met de functies die de werkneemster nog wel kan doen kan zij minder verdienen dan met de functies die eerder nog geschikt voor haar werden geacht. Daarom wordt de mate van arbeidsongeschiktheid in bezwaar vastgesteld op 39,74%. Omdat dat wel boven de ondergrens van 35% is, wordt nu alsnog een WGA-uitkering aan de werkgeefster toegekend.
Dit keer is het de (ex-) werkgever die het niet met het UWV eens is. Vanwege de kosten die de WGA-uitkering voor de werkgever veroorzaakt, heeft de werkgever het recht om beroep bij de rechtbank in te stellen. Van dat recht maakt de werkgever gebruik. Maar de rechtbank vindt dat het UWV de juiste beslissing heeft genomen en verklaart het beroep ongegrond.
Als de werkgever vervolgens hoger beroep instelt, moet de Centrale Raad van Beroep over de zaak oordelen. De werkgever baseert zijn hoger beroep op twee gronden.
Op de eerste plaats stelt de werkgever dat de verzekeringsarts geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek had mogen doen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld had moeten worden op basis van de verdiensten die de werkneemster behaalde met haar arbeid voor de werkgever (de zogenaamde “praktische schatting van de resterende verdiencapaciteit”). De Centrale Raad van Beroep wijst erop dat een schatting op basis van de praktische inkomsten van een werknemer alleen mogelijk is als het werk waarmee die inkomsten worden behaald, ook passend is voor de werkneemster. De werkgever had het volledige loon doorbetaald, maar het was niet duidelijk hoeveel uren de werkneemster had gewerkt en de werkneemster had bovendien gesteld dat de loonwaarde van haar werk lager was dan het ontvangen loon. Onder deze omstandigheden mocht het UWV volgens de Centrale Raad van Beroep geen praktische schatting doen. De theoretische schatting op basis van het verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek was daarmee de juiste wijze om de mate van arbeidsongeschiktheid van de werkneemster te bepalen.
Verder was de werkgever het ook niet eens met de rechtbank die de geschiktheid van de werkneemster voor haar eigen werk had beoordeeld met inbegrip van de reistijd van de werkneemster van en naar haar werk. De werkgever wijst erop dat aan de werkneemster de mogelijkheid van een hotelovernachting was aangeboden, zodat zij per dag niet zo lang hoefde te reizen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep had het eigen werk voor de werkneemster ongeschikt geacht, omdat zij als gevolg van haar ziekte maar acht uur per dag kon zitten of staan, terwijl zij gedurende één dag per week een reistijd met het openbaar vervoer zou hebben van drie uur heen en drie uur terug. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de werkneemster in haar eigen functie (de zogenaamde “maatgevende arbeid”) één dag per week op het kantoor van de werkgever moest werken en dat de reistijd van en naar dat kantoor ook tot de maatgevende arbeid behoort. De reistijd maakte namelijk onderdeel uit van de werktijd (en daarmee van de maatgevende arbeid), omdat de werkneemster maar zes uur per dag op het kantoor was (waarbij zij dan vijfeneenhalf uur werkte) en de reistijd na vier uur ’s middags als overwerk uitbetaald werd. Een werkdag was daarmee veel langer dan acht uur en dat past niet bij de beperking dat de werkneemster per dag maar acht uur mag zitten of staan. De werkgever had nog aangevoerd dat de reistijd per auto maar twee maal twee uur zou zijn, maar ook dan zou de werkdag langer zijn dan acht uur. De eigen functie was dus niet geschikt voor de werkneemster.
Beide argumenten van de werkgever worden dus verworpen en de in bezwaar alsnog toegekende WGA-uitkering blijft in stand.

Commentaar

De wijze waarop de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld wordt door niet-ingewijden doorgaans als heel ingewikkeld ervaren. Het komt erop neer dat de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van het inkomensverlies dat het gevolg is van de arbeidsongeschiktheid. Dat inkomensverlies wordt vastgesteld door het inkomen dat de werknemer na zijn arbeidsongeschiktheid nog kan verdienen (de “resterende verdiencapaciteit”) te vergelijken met het inkomen dat hij verdiende voordat hij arbeidsongeschikt werkt (het “maatmaninkomen”). Het vaststellen van het maatmaninkomen is relatief eenvoudig omdat het gebaseerd is op vaststaande historische gegevens, maar het vaststellen van het inkomen dat de werknemer nog kan verdienen nadat hij arbeidsongeschikt is geworden is natuurlijk veel ingewikkelder. Dat inkomen moet worden geschat.
Die schatting kan op twee manieren gebeuren. Als een werknemer inkomen uit arbeid geniet wordt in beginsel een “praktische schatting” gedaan. Er wordt dan vanuit gegaan dat datgene wat de werknemer feitelijk verdient ook hetgeen is wat de werknemer maximaal kan verdienen. Vanwege het tekort aan verzekeringsartsen van het UWV wordt niet meer onderzocht of de werknemer niet meer had kunnen verdienen. Maar voor een praktische schatting is wel vereist dat de arbeid die de werknemer verricht passend is. Dat wil zeggen dat de belasting in die arbeid past bij de belastbaarheid van de werknemer. Daarbij hoort dat de werknemer die arbeid gedurende langere tijd moet kunnen volhouden. In dit geval oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat niet vaststond of de arbeid passend was, omdat niet duidelijk was hoeveel uren de werkneemster had gewerkt tegenover de volledige doorbetaling van het loon. Daarmee mocht de werkneemster niet klagen, want de Centrale Raad van Beroep had natuurlijk ook kunnen besluiten dat het UWV dat alsnog moest gaan onderzoeken. Van de andere kant had de werkgever daarover natuurlijk ook meer duidelijkheid moeten geven. Hoe dan ook: in dit geval geen praktische schatting dus.
Daarom had het UWV terecht een “theoretische schatting” gedaan. Op basis van de vaststelling van de belastbaarheid door de verzekeringsarts was de arbeidsdeskundige gaan zoeken naar voorbeeldfuncties die de werkneemster op basis van haar belastbaarheid nog kon verrichten. Als er voldoende voorbeeldfuncties aan te wijzen zijn, kan de resterende verdiencapaciteit van de werkneemster worden bepaald op basis van het loon dat bij die voorbeeldfuncties hoort. Die voorbeeldfuncties haalt de arbeidsdeskundige uit een computersysteem van het UWV (het CBBS). In dat systeem heeft het UWV functies beschreven die in de praktijk bij werkgevers voorkomen. Daarbij is de belasting in die functies beschreven op alle onderdelen van de belastbaarheid van de werknemer die verzekeringsartsen in de Functionele Mogelijkhedenlijst kunnen vermelden. Daardoor is per onderdeel van de belastbaarheid een vergelijking mogelijk tussen de belastbaarheid van de werknemer en de belasting van de betreffende functies. De arbeidsdeskundige moet voor elke functie per belastbaarheidsitem van de Functionele Mogelijkhedenlijst beoordelen of de belasting van de functie de belastbaarheid van de werknemer inderdaad niet overtreft. Alleen functies die op alle onderdelen van de belasting de belastbaarheid van de werknemer niet te boven gaan, mogen worden gebruikt voor het vaststellen van de resterende verdiencapaciteit van de werknemer. Als de arbeidsdeskundige voldoende functies heeft gevonden, kan hij het loon in die functies vervolgens gebruiken om dat te vergelijken met het loon dat de werknemer verdiende voordat hij arbeidsongeschikt werd. Die vergelijking leidt dan tot een percentage aan inkomensverlies door arbeidsongeschiktheid. Dat percentage is bepalend voor de vraag of de werknemer recht heeft op een WIA-uitkering. Na het einde van de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering is het ook bepalend voor de hoogte van de uitkering.
In dit geval had de werkgever aangevoerd dat het UWV nog om een andere reden niet aan de theoretische schatting had mogen toekomen, namelijk omdat de werkneemster met de vastgestelde beperkingen haar eigen werk kon doen. In dat geval zou de werkneemster natuurlijk sowieso niet meer arbeidsongeschikt zijn. Maar daarmee was de Centrale Raad van Beroep het ook niet eens. De werkneemster mocht per dag maar maximaal acht uur zitten of staan en met de forse reistijd erbij (twee maal drie uur per openbaar vervoer en bij gebruik van de auto ook nog twee maal twee uur) zou de werkneemster op de dag waarop zij gewoon was op kantoor te werken die acht uur ruimschoots overschrijden. De werkneemster was dus sowieso niet in staat om haar oude functie volledig te verrichten. Daarmee had het UWV terecht een theoretische schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid gedaan.
De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over de rol van de reistijd moet wel op juiste waarde worden geschat.
Op de eerste plaats had de Centrale Raad van Beroep vastgesteld dat de werkneemster een deel van de reistijd tijdens haar normale werktijd mocht doen en dat zij een deel van de reistijd als overwerk kreeg uitbetaald. De reistijd was dus deels werktijd. Het oorspronkelijke werk omvatte op de dag waarop de werkneemster naar kantoor moest komen dus overwerk terwijl de werkneemster maar maximaal acht uur per dag mocht zitten en staan. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep kan daarmee niet zonder meer worden toegepast op werknemers voor wie de reistijd in de oorspronkelijke functie geen reistijd was.
Op de tweede plaats betreft de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep de geschiktheid van de werkneemster voor het eigen werk (de maatmanfunctie), niet de vraag of en in hoeverre bij de vaststelling van de theoretische verdiencapaciteit rekening moet worden gehouden met reistijd (als dit geen werktijd is). Bij de vaststelling van de theoretische verdiencapaciteit moet in elk geval rekening worden gehouden met een eventuele beperking van de werknemer om te reizen. Als de werknemer om medische redenen niet kan reizen kunnen functies waarbij moet worden gereisd (inclusief woon-werkverkeer) niet worden gebruikt voor de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid. Maar bij een theoretische schatting zou de medische beperking die inhoudt dat de werkneemster maar maximaal acht uur per dag mag zitten of staan, ook in acht moeten worden genomen.
Op de derde plaats betreft de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep niet wat in het kader van de re-integratie van een werknemer mag worden verwacht. De rechtbank sprak in deze zaak over anderhalf uur enkele reistijd die “in de regel passend wordt geacht”, maar dan gaat het om de re-integratie van de werkneemster. Daar ging deze zaak niet over.
Op de laatste plaats gaat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep al helemaal niet om de vraag wat in het kader van de WW passende arbeid is. Van een werknemer die werkloos is wordt naarmate hij langer werkloos is op dit punt meer verwacht. Bij een werkloze werknemer is dat een eis die goed te verklaren is omdat de werknemer steeds verder van de arbeidsmarkt verwijderd raakt. Bij een arbeidsongeschikte werknemer geldt dat zo niet. Het kan zijn dat deze naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt juist dichter bij een werkhervatting komt.

b+p Belastingadviseurs maakt gebruik van functionele cookies die strikt noodzakelijk zijn voor de werking van de website en analytische cookies om inzicht te krijgen in de werking en effectiviteit van de website. De analytische cookies zijn volledig geanonimiseerd en wij plaatsen geen marketing cookies. Meer informatie over privacy.