Een schadeherstelbedrijf heeft bij de eindafrekening te veel genoten verlofuren en de kosten voor het rijklaar maken van een privéauto van de werknemer verrekend. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever hierbij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de wettelijke bepaling dat verrekening onder de minimumloongrens niet is toegestaan. Hierdoor is de werkgever de wettelijke verhoging verschuldigd over hetgeen de werkgever te veel heeft verrekend. Omdat de vordering van het schadeherstelbedrijf hoger was dan het maximaal met het loon verrekenbare bedrag, wordt het meerdere wel als afzonderlijke vordering toegewezen.
Een werknemer is van 4 september 2023 tot en met 31 augustus 2024 in dienst geweest bij een schadeherstelbedrijf op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Vanaf juli 2024 ontvangt hij een hoger salaris (€ 3.250 bruto per maand in plaats van € 2.250 bruto).
Na het einde van het dienstverband maakt de werkgever een eindafrekening op. Daarbij worden onder meer te veel opgenomen verlofuren (118 uur) verrekend en de kosten voor het rijklaar maken van de privéauto van de werknemer. Per saldo wordt door de werkgever bij de eindafrekening van het loon over de maand augustus 2024 slechts een bedrag van € 12,35 netto uitbetaald.
De werknemer stapt naar de kantonrechter en vordert achterstallig loon, de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente. Ook vordert hij afgifte van een deugdelijke salarisspecificatie c.q. eindafrekening. De werkgever stelt verrekenbare vorderingen te hebben en vordert onder meer terugbetaling van de loonsverhoging, omdat deze volgens haar voorwaardelijk was en wel onder de voorwaarde dat de werknemer na 31 augustus 2024 in dienst zou blijven.
De kantonrechter beoordeelt allereerst of de werkgever vorderingen heeft die bij het einde van de arbeidsovereenkomst voor verrekening in aanmerking komen. De kantonrechter stelt vast dat de werkgever een vordering heeft ter zake van te veel door de werknemer opgenomen vakantie-uren, te weten 118 uur (€ 2.329 bruto) én een vordering ter zake van de kosten voor het rijklaar maken van de privéauto van de werknemer (€ 1.031,04 inclusief BTW).
De kantonrechter beoordeelt vervolgens hoeveel daarvan verrekenbaar is. De kantonrechter overweegt in dit verband dat de werkgever ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de wettelijke bepaling dat verrekening onder de minimumloongrens niet is toegestaan. Het loon tot het niveau van het minimumloon had buiten verrekening moeten blijven. Rekening houdend met het vrij te laten bedrag had de werkgever slechts € 1.333 bruto mogen verrekenen. Door onjuiste verrekening is in augustus 2024 ongeveer € 2.415 bruto te weinig loon betaald. Over dit bedrag is de werkgever de wettelijke verhoging verschuldigd. De kantonrechter matigt de wettelijke verhoging tot 25%, omdat geen sprake was van bewuste overtreding door de werkgever. Verder wordt de werkgever veroordeeld tot afgifte van een deugdelijke bruto-netto specificatie op straffe van een dwangsom.
De vordering van de werkgever tot terugbetaling van de loonsverhoging wordt afgewezen. De kantonrechter overweegt dat de loonsverhoging van € 1.000 bruto per maand per juli 2024 niet voorwaardelijk was, omdat de werkgever dit loon over juli en augustus 2024 aan de werknemer heeft uitbetaald, nadat zij al wist dat de werknemer zou vertrekken. Het restant van de niet-verrekenbare vorderingen betreffende verlofuren en autokosten wordt toegewezen.