Heeft u vragen? Wij zijn telefonisch bereikbaar op 030 262 45 94
Vacature Ons kantoor is nu open!
b+p Belastingadviseurs - 05/12/2021 - Juridisch

Schadevergoeding UWV wegens onzorgvuldig deskundigenoordeel

Juridisch

Het UWV handelt onrechtmatig ten opzichte van een werkgever door een gebrekkig deskundigenoordeel af te geven. Het UWV moet daarom 40% van de schade vergoeden die de werkgever heeft geleden in de vorm van loondoorbetaling aan de arbeidsongeschikte werknemer en betaling van de transitievergoeding.

Bij een bank werkt een hoog geplaatste werknemer die arbeidsongeschikt is. De bank vermoedt het bestaan van een alcoholprobleem. Omdat de werknemer niet meewerkt aan de re-integratie en niet reageert op oproepen van de bank, wil de bank de kantonrechter verzoeken om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Om dat te kunnen doen is overlegging van een deskundigenoordeel van het UWV vereist. Als de bank het UWV om een deskundigenoordeel vraagt, oordeelt een arbeidsdeskundige van het UWV dat de re-integratie-inspanningen van de werknemer voldoende zijn omdat de werknemer voor zijn nalatigheid een plausibele grond heeft. Volgens de arbeidsdeskundige is het verwarrend voor de werknemer dat de werkgever geweigerd heeft het loon door te betalen, omdat een werkgever bij hoger opgeleide werknemers meestal geen loonsancties oplegt, aangezien dit contraproductief en niet herstelbevorderend werkt. De werknemer was bovendien volgens de arbeidsdeskundige zeer beperkt belastbaar voor arbeid. De werkgever had er volgens de arbeidsdeskundige ook voor kunnen kiezen om de loondoorbetaling te weigeren voor het aantal uren dat de werknemer belastbaar was.

Vanwege dit deskundigenoordeel ziet de bank af van het indienen van een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. In plaats daarvan treft de bank met de werknemer een regeling waarbij deze een deel van het loon tijdens ziekte (bijna € 12.000 bruto per maand, in totaal ruim € 80.000 bruto) betaalt en waarbij de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd met betaling van de transitievergoeding (bijna € 100.000 bruto).

De bank dient ook een klacht in bij het UWV over het deskundigenoordeel. Het UWV erkent daarop dat het deskundigenoordeel niet aan de kwaliteitseisen voldoet, dat de arbeidsdeskundige zich had moeten beperken tot wet- en regelgeving en dat hij het geven van een oordeel over de belastbaarheid van de werknemer had moeten overlaten aan een verzekeringsarts. Als de bank vervolgens het UWV aansprakelijk stelt voor het betaalde bedrag van ongeveer € 180.000 bruto (stellend dat bij een juist deskundigenoordeel de arbeidsovereenkomst zou zijn ontbonden zonder toekenning van een transitievergoeding), geeft het UWV echter niet thuis. Het UWV stelt dat de bank niet mocht uitgaan van de absolute juistheid van het deskundigenoordeel, omdat het geen besluit is maar een niet-bindend advies. Ook stelt het UWV dat de bank het oordeel van het UWV over de klacht had moeten afwachten en daarna het ontbindingsverzoek had moeten indienen. Dan had de bank volgens het UWV een zeer grote kans gehad dat de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd zonder dat de bank een deel van het loon tijdens ziekte had moeten doorbetalen en zonder dat de bank de transitievergoeding had moeten betalen.

Als de bank vervolgens schadevergoeding bij de rechtbank vordert, betwist het UWV ten aanzien van elk van de criteria die gelden voor het bestaan van een verplichting tot schadevergoeding wegens het plegen van een onrechtmatige daad, dat daaraan voldaan is. De rechtbank beoordeelt daarom al deze criteria.

Aan de eis dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld is volgens de rechtbank voldaan. Omdat het deskundigenoordeel van het UWV door de wetgever bedoeld is als uitgangspunt voor de rechter bij het ontbindingsverzoek, kan een onzorgvuldig tot stand gekomen of onjuist deskundigenoordeel onrechtmatig zijn tegenover de werkgever of de werknemer. Het deskundigenoordeel van de arbeidsdeskundige is volgens de rechtbank zodanig onzorgvuldig dat sprake is van onrechtmatigheid ten opzichte van de bank.
De rechtbank oordeelt ook dat het onrechtmatig handelen aan het UWV kan worden toegerekend.
Ook is volgens de rechtbank sprake van causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van het UWV en de schade van de bank. De rechtbank acht het zeer waarschijnlijk dat een zorgvuldig tot stand gekomen deskundigenoordeel zou inhouden dat de werknemer verwijtbaar niet voldaan heeft aan zijn re-integratieverplichtingen. Als het UWV dat anders zou zien had het UWV dat volgens de rechtbank moeten onderbouwen, te meer daar het UWV daarvoor de expertise in huis heeft. De rechtbank neemt dan ook aan dat het causale verband bestaat.
Het UWV had ook betwist dat de door het UWV geschonden norm strekt tot bescherming van de schade die de bank heeft geleden (de zogenoemde eis van “relativiteit”). Ook aan deze eis is volgens de rechtbank echter voldaan omdat het doel van het deskundigenoordeel is dat de werkgever en de werknemer zich daarnaar richten.

Ter discussie staat dan nog of de schade in zodanig verband tot het gebrekkige deskundigenoordeel staat dat die schade aan het UWV kan worden toegerekend. Aan deze eis is volgens de rechtbank voldaan omdat het UWV had kunnen voorzien dat een gebrekkig deskundigenoordeel bij de bank zou leiden tot serieuze twijfel over de juistheid van het deskundigenoordeel en dat de bank daarom zou proberen de arbeidsovereenkomst op een andere wijze te beëindigen.
Daarmee staat vast dat het UWV aan de bank schadevergoeding moet betalen wegens het plegen van een onrechtmatige daad. De rechtbank moet dan nog beoordelen hoe groot die schadevergoeding dient te zijn. Het UWV had gepleit voor vermindering van die schadevergoeding omdat sprake zou zijn van eigen schuld van de bank, aangezien de bank zelf heeft gekozen voor het treffen van een regeling met de werknemer. Volgens het UWV had de bank ook anders kunnen handelen. Voortzetten van de re-integratie zou volgens de rechtbank echter niet tot minder schade voor de bank hebben geleid, omdat dan het loon doorbetaald zou moeten worden, volgens de cao van de bank ook nog na het tweede ziektejaar. Maar als de bank ondanks het gebrekkige deskundigenoordeel toch de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter zou zijn gestart en daarbij zou hebben gewezen op de gebreken in het deskundigenoordeel, zou de bank volgens de rechtbank een redelijk grote kans op succes hebben gehad. Daartegenover staat volgens de rechtbank dat de bank geen zekerheid zou hebben dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen, terwijl de bank daar wel een gerechtvaardigd belang bij had. Ook acht de rechtbank van belang dat de bank bij de getroffen regeling met de werknemer niet het hele loon heeft doorbetaald. Daardoor had de bank de schade dus al beperkt. Alles afwegend is de rechtbank van mening dat het UWV aan de bank 40% van de geleden schade moet vergoeden.

b+p Belastingadviseurs maakt gebruik van functionele cookies die strikt noodzakelijk zijn voor de werking van de website en analytische cookies om inzicht te krijgen in de werking en effectiviteit van de website. De analytische cookies zijn volledig geanonimiseerd en wij plaatsen geen marketing cookies. Meer informatie over privacy.